Schadevergoeding bij onrechtmatig (conservatoir) beslag en verjaring

In een recente zaak bij de Rechtbank Oost-Brabant stond (onder andere) de vraag centraal of de vordering tot schadevergoeding – uit hoofde van een onrechtmatig gelegd conservatoir beslag op een onroerende zaak – al dan niet was verjaard. Meer concreet speelde in dat verband de vraag wanneer de verjaringstermijn aanvangt. Onze medewerker Maikel Faassen heeft de gedaagde partij in deze zaak bijgestaan en zal in deze blog nader ingaan op de casus en het oordeel van de rechtbank.

03D68301.jpg

De casus

Op 20 en 21 mei 2003 heeft gedaagde diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van eiser, onder andere op een aan eiser toebehorende wasserij, huis en erf. Bij dagvaarding van 18 juni 2003 heeft gedaagde een juridische procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, waarbij gevorderd werd eiser te veroordelen tot betaling van onder meer een bedrag van € 2.641.432,07. Deze vordering is door de rechtbank bij eindvonnis van 21 augustus 2013 afgewezen. Het destijds door gedaagde ingestelde hoger beroep is door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 27 oktober 2015 eveneens afgewezen. Daartegen is geen cassatie ingesteld, zodat het arrest vanaf 28 januari 2016 onherroepelijk is geworden. 

Bij brief van 30 november 2015 heeft eiser aan gedaagde kenbaar gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de gelegde beslagen en heeft hij gedaagde gesommeerd tot betaling van de schade (€ 375.559,72) over te gaan. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij de woning in kwestie in 2003 had willen verkopen en dat dat niet mogelijk was vanwege het door gedaagde gelegde beslag.

Tussen partijen was niet in geschil dat de vorderingen van gedaagde op eiser, ter verzekering waarvan de beslagen waren gelegd, definitief waren afgewezen en dat gedaagde in beginsel uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk was voor de eventuele door eiser geleden schade ten gevolge van de gelegde beslagen. Tussen partijen was wel in geschil of de vordering van eiser op gedaagde al dan niet was verjaard en of eiser daadwerkelijk schade had geleden ten gevolge van de gelegde beslagen. 

Het oordeel van de rechtbank

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarbij is het niet voldoende dat de benadeelde bekend is met het enkele vermoeden van schade, maar is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de geleden schade in te stellen. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij pas in staat was om daadwerkelijk een rechtsvordering in te stellen nadat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 27 oktober 2015 arrest had gewezen. Dit standpunt is door de rechtbank verworpen.

De schade waarvan eiser vergoeding vorderde, bestond uit schade ten gevolge van het beslag op de aan hem toebehorende woning. De rechtbank heeft overwogen dat eiser kort na het gelegde beslag op de woning (op 20 of 21 mei 2003) bekend is geraakt met dit beslag en met de omstandigheid dat hij ten gevolge daarvan zijn woning niet zou kunnen verkopen. Eiser was dus kort na het gelegde beslag op de hoogte van alle feiten waaruit voor hem schade zou kunnen voortvloeien. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aangenomen kan worden dat eiser op dat moment ook bekend is geworden met de voor de beslaglegging verantwoordelijke persoon (gedaagde), die immers in de beslagstukken vermeld stond.  

Met gedaagde oordeelde de rechtbank dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn niet is vereist dat in een (onherroepelijke) rechterlijke beslissing zou zijn vastgesteld dat gedaagde als beslaglegger niets van eiser te vorderen zou hebben. Voor het aanvangen van een verjaringstermijn is niet van belang of een benadeelde zekerheid heeft over de vraag of de rechter een tegen hem ingestelde vordering al dan niet zal afwijzen.

De rechtbank heeft hier aan toegevoegd dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Degene die beslag legt, handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. De beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, is aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degenen op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Het beslag verandert daarom niet van een rechtmatige daad in een onrechtmatige daad door de beslissing van de rechter over de eis in de hoofdzaak (of over de beslaglegging), maar wordt geacht vanaf het moment van beslaglegging onrechtmatig te zijn indien het achteraf blijkt ten onrechte te zijn gelegd.

De rechtbank maakt hier duidelijk dat de beslissing over de eis in de hoofdzaak geen werking heeft ten aanzien van de aanvang van de verjaringstermijn. Het is dus zaak de verjaring tijdig te stuiten – en te weten wanneer dat dient te gebeuren -, zeker nu juridische procedures steeds meer tijd in beslag nemen en het geen uitzondering is dat pas na enkele jaren een uitspraak volgt.

De volledige uitspraak kunt u hier lezen.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Maikel Faassen, bereikbaar via faassen@gimbrere.nl of via telefoonnummer 076-5140505.

Over de auteur

Maikel Faassen.jpg
“ Kwaliteit, creativiteit en resultaat ”

Maikel Faassen